Inlogformulier  

   
   

Vissen op Rietvoorn

Blankvoorn

Inleiding
Ons land bezit van oudsher vele ondiepe wateren. Naast de natuurlijke wateren - zoals oude rivierlopen - werden ook vele wateren door toedoen van de mens gevormd. Voorbeelden hiervan zijn de plassen In de veengebieden, die door het winnen van turf ontstonden, en de sloten in de polders, die gegraven werden om de aan- en afvoer van water te regelen. Zij vormen een onmiskenbaar onderdeel van ons typische Hollandse polderlandschap.

In deze ondiepe en vaak plantenrijke veenplassen en polderwateren voelt één van onze mooiste zoetwater vissen, de rietvoorn, zich bijzonder goed thuis. Door verschillende oorzaken zijn echter veel van deze wateren in kwaliteit achteruitgegaan. Hierdoor Is het voorkomen van de ruisvoorn plaatselijk soms sterk teruggelopen. De belangstelling voor de ruisvoorn vanuit de sportvisserij neemt daarentegen gestaag toe. Het voorkeursvoedsel bestaat uit insecten en insectenlarven; soms worden ook plantendelen gegeten. Wordt ook wel "ruisvoorn" of "rode rijer" genoemd. Een prachtige vis maar groeit vrij langzaam, ca. 5 cm per jaar. >Net als blankvoorns, leven rietvoorns in scholen. Als men er eentje vangt, zijn er gegarandeerd meer aanwezig.

Om blankvoorn van rietvoorn te onderscheiden:
blankvoorn: eindstandige bek, voorkant rugvin op gelijke hoogte met voorkant buikvin, meestal staalblauwe schijn op rug
ruisvoorn: bovenstandige bek, voorkant rugvin duidelijk verder staand dan voorkant buikvin. meestal groen schijn op rug, de vinnen van ruisvoorn zijn bovendien meestal felrood gekleurd.

Een goede periode voor het vissen op rietvoorn is in de zomer en nazomer. De rietvoorn doet er ruim tien jaar over om echt groot te worden. Voorzichtig met de vis omgaan is de enige garantie om lange tijd van echte grote "jongens" te genieten. De rietvoorn is een vis die zich graag in ondiep water ophoud, zoals in begroeide sloten. Vissen zijn praktisch ingesteld en bevinden zich waar voedsel en beschutting te vinden is. Het is een uiterst schuwe vis en slechts het bewaren van een flinke afstand tussen de hengelaar en de vis biedt enige kans op het vangen van een mooi exemplaar. Rietvoorn verdedigt zich krachtig !


Enkele wetenswaardigheden
De rietvoorn voedt zich hoofdzakelijk met muggenlarven, raderdiertjes, allerhande insectenlarve en waterdiertjes, ook wel plantendelen. De bovenstandige bek wijst erop dat de rietvoorn geen echte bodemvis is, maar dat hij zowat overal kan aangetroffen kan worden. Rietvoorns leven in scholen en paaien in mei-juni tussen waterplanten. De tot 200.000 eieren worden op waterplanten afgezet. De rietvoorn kruist gemakkelijk met alver, blankvoorn en blei. De kruisingsproducten zijn echter niet vruchtbaar.

Door het plaatsen van lokvoer kun je een school naar de visplaats lokken en met regelmaat vissen uit vangen. Kies je visstek met zorg. Gunstig is een rustige, gelijkmatige stroming zonder wervelingen met een waterdiepte van 1,5 tot 2 meter. Voordat je je met de uitrusting bezig gaat houden, is het verstandig om het lokvoer alvast te bevochtigen, zodat het voer de tijd krijgt om gelijkmatig water op te nemen.Soms zwemmen de scholen tegen de waterspiegel, dan weer op halve diepte en ook wel tegen de bodem. Men moet als het ware ontdekken waar en waarop de voorns azen om ze te kunnen vangen. Naar de winter toe verzamelen de rietvoorns in grote scholen ergens in rustig, vrij diep water, bijvoorbeeld in talrijke haventjes. In het koude seizoen is daar een massa voorn te vangen. Soms is de ervaring dat op een dezelfde plaats, op dezelfde diepte, kleine voorntjes gevangen worden met vleesmaden, middelmatig met brooddeeg en flinke voorns met kempzaad. Rietvoorn wordt zelden langer dan 40 cm en zwaarder dan 1 kg. Rietvoorns die aangeboden worden bij competities om de zwaarste vis en die meer dan 40 cm lang zijn, zijn meestal geen rietvoorns, maar wel windes of kopvoorns. Een vis van om en bij de 500 gram vraagt natuurlijk geen extra zwaar tuig. Een snoertje in 0.10 mm moet kunnen volstaan om elke voorn op het droge te krijgen.

Een goed advies is 0.08 mm samen met een haakje nr. 18-20, naargelang het aas dat wordt gebruikt. Hou het dus licht, dan krijg je vast en zeker ook meer aanbeten. En, zoals reeds eerder gezegd: zoek de voorns op. Tast de waterlagen net zolang tot je de school gevonden hebt.

Lokvoer, aas en materiaal moeten samen een goede voorntechniek vormen. Vissen op voorn is een technische visserij die vooral staat en valt bij de gevoeligheid en de juiste afstelling van de lijn. Nylon, dobber, loodzetting en haak vormen een harmonisch geheel zodat de voorn bij het aanbijten zo goed als geen weerstand bespeurt. Het aas moet zo natuurlijk mogelijk aangeboden worden en het vinden van de juiste visdiepte is uitermate belangrijk.

Voorn is trouwens typisch een vis die zich niet steeds op dezelfde plaats in een viswater ophoudt. Voorns trekken als het ware met de wind mee. Je zult meer grote voorn vangen in een stuk water waar de wind aanlandig is en er sprake is van een behoorlijke golfslag. Op een dag waarop de zon zich van de beste kant laat zien is grote voorn duidelijk actiever dan bij triest en donker weer. Dit laatste werkt weer tegen de visser wanneer je op de "verkeerde kant" van het water je visplek kiest. Helder water en een gladde waterspiegel zijn niet de beste voorwaarden voor het vangen van grote voorn.


Vissen met levend aas
De meeste hengelaars zijn erg lui en gemakzuchtig. Ze gaan zelden op zoek naar waterbeestjes waarmee men toch vaak best voorns kan vangen. Liever kopen ze in een hengelsportwinkel een portie vleesmaden en dat is een zeer goede aassoort voor rietvoorn. Een flinke vleesmade vangt eveneens erg goed. Natuurlijk wordt brood ook gepakt, maar de maden zijn toch het beste. Ook hier is het aan te bevelen om kleine vleesmaden in het lokvoer te mengen. Een advies voor het vissen op rietvoorn kan zijn met één of twee kleinere maden op de haak in plaats van grote maden. Als het minder goed gaat met de vangst, moet men zeker niet meer lokaas uitwerpen, soms kan een caster (verpopte made) uitkomst bieden. Kortom, zoeken welk aas de vis die dag graag lust en natuurlijk ook op welke diepte hij aast. En probeer het toch maar eens met een of ander waterbeestje dat zomaar voor het grijpen in het water gevonden kan worden.


Voor de sportieve hengelsporters
De rietvoorn is voor hengelsporters, net als zovele andere vissen, niets meer dan een lustobject. Doden van een rietvoorn is niet meer verantwoord en ook het bewaren in een leefnet is niet goed te keuren. Rietvoorn is zeer kwetsbaar. Het beschadigen van de beschermde slijmhuid door het vastgrijpen met een droge en warme hand is voldoende om de vis alle overlevingskansen te ontnemen. Beschadigingen aan de huid, aan de vinnen, door het bewaren in een leefnet kunnen ook tot schimmelinfecties leiden, die eveneens dodelijk zijn.

Wie respect heeft voor de gevangen vis zal;

  • steeds een vis vastgrijpen met een koele, vooral natte hand om de slijmhuid niet te beschadigen

  • nooit de gevangen vissen zondermeer in een leefnet bewaren, maar alle vissen die hij niet nodig heeft, met uiterste zorg onthaken en direct vrijlaten in het water

  • als de mogelijkheid aanwezig is, vraag eens aan viswater beheerders om op te houden met het massaal uitzetten van brasem en om de rietvoorn opnieuw de plaats te geven die hij verdient in onze viswateren.

Het hoeft echt geen 50 kg te zijn om een wedstrijd te winnen. Winnen moet ook kunnen met een paar kilootjes rietvoorn.


Wanneer - waar - hoe diep ?

  • Januari - februari:
    Dichte scholen rietvoorns staan op de diepste plekken van een water: bij stuwen, havens, bij de kop van kribben. De meeste aanbeten komen tijdens de warmere uren in de middag. Kleine aassoorten zoals pinkies (mini-maden), hennep en broodvlokken vangen het best.

  • Maart - april
    Zeer goede tijd. wanneer het water wordt opgewarmd, trekken de rietvoorns naar de ondiepere gedeelten met een lichte stroming en een grindbodem. Tijdens hoogwater trekken ze naar rustige bochten of ondergelopen weilanden. Met kleine mestpieren vang je nu de grootste exemplaren.

  • Mei - juni
    Al naar gelang de weersgesteldheid valt de paaitijd in deze maanden, wat doorgaans resulteert in slechte vangsten.

  • Juli
    Moeilijke maand. De rietvoorns vinden natuurlijk voedsel in overvloed, trekken veel rond en zijn in alle waterlagen te vinden.

  • Augustus
    Bij hoge temperaturen staan de grote rietvoorns in de snelle stroming. Met een sterk vertraagde aaspresentatie zijn goede vangsten mogelijk

  • September - oktober
    De beste maanden. Vis in gedeelten met een matige stroming, 1,5 meter water en een grindbodem. Ideaal zijn de stromingskanten van kribben. De rietvoorns zijn in uitstekende conditie en bouwen reserves op voor de winter. Rijkelijk en regelmatig bijvoeren zijn voorwaarden om een school op de visplek te houden.

  • November - december
    Met het dalen van de temperatuur trekken de rietvoorns zich steeds meer terug naar diepere watergedeelten (zie januari - februari)